– 4. literatuurstudie

De onderzoeken op het gebied van crossculturele communicatie door middel van beelden zijn voor het grootste gedeelte uitgevoerd in Afrika, Azië en Zuid-Amerika, de zogenaamde Derdewereldlanden en houden zich bezig met het herkennen en begrijpen van afbeeldingen.
Op mijn speurtocht ben ik geen rapporten tegen gekomen die verslag doen van onderzoek in Marokko of Turkije, de herkomst landen van de doelgroepen. Naast deze bulk van studies zijn er slechts enkele onderzoeken bekend in Nederland onder de hier verblijvende Turken en Marokkanen.
Deze laatste onderzoeken hielden zich meestal bezig met het pretesten van al bestaand materiaal en hadden nauwelijks de intentie om op dit gebied tot algemeen geldende conclusie te leiden.

Om deze informatie uit de verschillende onderzoeken te kunnen ordenen en hierdoor inzichtelijker te maken heb ik een model gemaakt van het leesproces van plaatjes.
Ik heb me afgevraagd wat er gebeurd bij de ontvanger, de buitenlandse vrouw, wanneer zij voor het eerst geconfronteerd wordt met een visuele boodschap van een zender. De opeenvolgende processen bij de buitenlandse vrouw heb ik uiteengerafeld van de eerste confrontatie tot het zich eigen maken van de informatie, die in het visuele materiaal was verpakt.

Dit leesproces ziet er als volgt uit: (dia leesproces)

Allereerst is het noodzakelijk dat het beeldmateriaal de aandacht trekt (1) van de persoon voor wie het bestemd is. De kijker beslist (selectieproces) of hij/zij de afbeelding wil bekijken.
Is deze beslissing genomen dan zal hij/zij een veelheid van vormen, lijnen, vlakken en kleuren zien, die te onderscheiden (2) moeten zijn.
Deze worden getoetst aan het geheugenbeeld en er worden voorwerpen, objecten en dingen in herkend (3).
Zijn alle onderdelen herkend en in gedachten benoemd, dan zal de combinatie van deze onderdelen in relatie tot elkaar moeten worden gebracht en geprobeerd moeten worden de voorstelling van de afbeelding te begrijpen (4).
Hopelijk wordt er dezelfde uitleg aan geven als de ontwerper (zender) getracht heeft er in te leggen.
Wordt de boodschap in meerdere afbeeldingen achter elkaar verteld in de vorm van een beeldverhaal, dan zal de aandacht van de kijker geboeid moet blijven (5) om voor elke afbeelding het proces van “onderscheiden – herkennen – begrijpen” te doorlopen.
Hierdoor kan hopelijk de combinatie van de verschillende afbeeldingen worden begrepen. Dit is het interpreteren van de boodschap (6).
Als de boodschap volledig begrepen is, volgen er weer selectieprocessen bij de kijkster, n.l. of zij de boodschap wil accepteren (7), onthouden (8) en toepassen (9).

In dit model zijn drie verschillende categorieën aan te geven:

Categorie 1:
1. aandacht trekken
5. geboeid blijven,
7. accepteren
8. onthouden
9. toepassen
Deze processen worden het meest bevorderd door de motiverende aspecten, concreter vertaald in de inhoudelijke eisen die we al al eerder opgesomd hebben. Daarnaast spelen natuurlijk de uiterlijke kwaliteit van het drukwerk, de voorkeur van de lezer voor een weergavenstijl en de begeleiding van het materiaal een rol.

Categorie 2:
Deze betreft alleen het onderscheiden
Het onderscheiden (2) is een zuiver fysiologisch proces. Het handelt om de kwaliteit van de ogen, de belichting van het kijkvlak en de kijkafstand. Daar er over deze onderwerpen al voldoende richtlijnen bestaan kreeg dat in dit onderzoek weinig aandacht.
Ook handelt het hier om het goed kunnen onderscheiden van lijnen, vlakken, contouren, en vormen. Op dit punt is veel te leren van professionele illustratoren waarvan we dagelijks werk zien in o.a. reclame drukwerk. Zij hanteren bewust of onbewust de volgende regels:
– voor en achtergrond moeten duidelijk t.o.v. elkaar afsteken
– de achtergrond moet rustig zijn t.o.v. de voorgrond
– de afgebeelde onderwerpen moeten scherp belijnd zijn.
– de afbeeldingen moeten een royale grootte hebben.

Rest ons nog Categorie 3:
3. herkennen van elementen
4. begrijpen van afbeeldingen
6. interpreteren van de boodschap.

Op deze gebieden bewegen de meeste
Visuele perceptie onderzoeken uit de Derde Wereld zich. Ik wil u hier niet lastig vallen met alle conclusie maar enkele markante resultaten wil ik u toch ook niet onthouden.

3. Herkennen van elementen.

Op dit gebied worden veel opmerkingen gemaakt over de detaillering.
Allereerst moeten er van het object zoveel mogelijk kenmerkende details zichtbaar gemaakt worden.
Fuglesang ging hierin wel erg ver door de voorkeur te geven aan de volgende onnatuurlijke aandoende fotomontage:

Voor de mate van detaillering schijnt er een optimum te zijn. Te weinig details bemoeilijkt de herkenning maar te veel details ook. Vele rapporten doen verslag van het testen van de herkenbaarheid van verschillende weergavenstijlen. Hierbij gebruikte men meestal een
– eenvoudige lijntekening,
– een tekening met grijstinten en
– foto’s.
Echte significante verschillen in herkenbaarheid van deze laatste twee werd nauwelijks gevonden. Alleen Fuglesang maakt hierop een uitzondering. Hij testen vier weergaven stijlen: lijntekening, silhouet, block-out (vrijstaande foto) en foto met achtergrond en vond de volgende resultaten.
15  – lijntekening
30  – silhouet
230 – vrijstaande foto
128 – foto met achtergrond.
Hierbij moet wel aangetekend worden dat zijn onderzoeksopzet sterk afweek van de overige onderzoeken.
Hij gaf de respondent alle vier de afbeeldingen tegelijkertijd te zien en vroeg welke afbeelding zij het eerste herkende.

4. begrijpen van de afbeelding

Het aspect voor het kunnen begrijpen van de afbeelding dat in alle rapporten veel aandacht krijgt is het wel of niet kunnen zien van diepte in het platte vlak
Hudson begon deze rage met het volgende onderzoek: (dia)

Hij liet dit plaatje zien en stelde de volgende vraag:
“Richt de man de speer op de olifant of de antiloop?”
Afhankelijk van het antwoord deelde hij de respondenten in twee groepen in. Personen die de olifant als antwoord gaven en dus geen diepte zien en personen die de antiloop als antwoord gaven en wel diepte zien. Later is door diverse andere onderzoekers bij andere volkeren dieper op dit onderwerp in gegaan. Hierbij kwamen het ruimtelijk interpreteren van de situatie en het juist schatten van de ruimtelijke maten ook aan de orde. De Muller-Lyer werd ook in het onderzoek betrokken. Het bleek dat mensen die de test van Hudson plat zagen ook deze illusie niet ruimtelijk waarnemen en ook geen verschil in lengte zien. Dit hele onderwerp kan beschouwd worden als het stokpaardje van de cultuurantropologen.
Het geeft zeker niet de enige verklaring waarom afbeeldingen door sommige mensen niet begrepen worden. Het is er slechts een aspect van.

6. Het interpreteren van de boodschap.

Op dit punt is uit de vele onderzoeken nauwelijks algemene uitspraken te destilleren, terwijl het één van de belangrijkste onderdelen van het leesproces genoemd mag worden. Een analyse van het interpreten van de boodschap uit visueel materiaal heeft het antwoord hierop gegeven.
Het interpreteren wordt beïnvloed door de volgende aspecten:

1. De culturele achtergrond van de lezer.
Hieronder wordt verstaan:
– visuele idioom regels,
– de communicatieve conventies,
– de gebruikelijk codes in de volksmedia en
– de culturele gedragsregels waarmee men is opgegroeid.
De culturele achtergrond is ook medeverantwoordelijk voor de belevingswereld van een persoon en dus voor de invalshoek van waaruit de persoon de afbeelding bekijkt. (dia dansers).

2. De bekendheid met visuele codes die in een cultuurkring gehanteerd worden. Deze wordt vooral gevormd door de mate van scholing en het mediagebruik. Hierdoor wordt een referentiekader opgebouwd. In hoerverre er onderwijs in Nederland genoten is, is dus mede van invloed op het vormen van een referentiekader, omdat men dan kennis maakt met de in Nederland geldende visuele codes.

3. De context
Hiermee wordt gedoeld op de situatie waarin het materiaal wordt aangeboden, de vraagstelling die leeft bij de bekijker van het beeldmateriaal en of het onderdeel uitmaakt van een groter geheel, zoals een informatiecampagne via diverse media.
De context is per situatie en per afbeelding verschillend. Hiervoor kunnen wel voorwaarden geschreven worden bij het betreffende les- of voorlichtingsmateriaal, maar algemeen geldende richtlijnen zijn hiervoor niet op te stellen. (dia)
Het maakt een groot verschil uit of deze foto wordt gepresenteerd als onderdeel van een reclame voor een mayonaise of als illustratie in een folder van de emancipatieraad,

4. De persoonlijke omstandigheden en emoties.
Met welke dingen de kijker zelf bezig is en zijn/haar emotionele toestand, b.v.
– onzeker of open voor nieuwe informatie,
– zich aangevallen voelen of zich zelfbewust en sterk voelen. (dia)
Op een moment dat ik dorst heb zal ik anders tegen een glas aankijken dan op het moment dat ik de verantwoordelijkheid heb voor een klein kind dat het breekbare glas als hamer wil gaan gebruiken.