– 5. het veldonderzoek

Aan de hand van de uitkomsten uit het literatuuronderzoek wilde ik ook een veldonderzoek houden.
Aan de hand van het leesproces van plaatjes werden onderzoeksvragen opgesteld.
Vanuit de ervaringen uit de eerder gehouden onderzoeken onder Turken en Marokkanen in Nederland werd er gekozen voor een bepaalde onderzoeksopzet.
De belangrijkste punten waren:
– De buitenlandse vrouw laten interviewen door iemand die ze reeds kende.
– Geen openvraaggesprek maar de vrouw zodanig materiaal aanbieden dat door middel van rangschikken of aanwijzen de verbale communicatie geminimaliseerd wordt. Dit in verband met de taalbarrière.
– De respondent ook niet de suggestie geven dat er goede en foute antwoorden zijn.

111 buitenlandse vrouwen hebben aan het onderzoek meegewerkt.
63 vrouwen werden geïnterviewd in lessituaties door Nederlandse lesgeefsters, en
48 vrouwen werden door tolken benaderd en het interview vond bij hen thuis plaatst. (dia)

Het onderzoek bestond uit 8 verschillende onderdelen, die geheel op zich zelf stonden. In vogelvlucht zal ik deze acht onderdelen aan u presenteren:

1. Portretten.
Als eerste kreeg de respondent deze vier portretten te zien. Hierbij werden twee vragen gesteld;

1. Over welke vrouw zou u graag een video- of televisiefilm zien?
De grafiek geeft het antwoord patroon. Duidelijk blijkt dat zowel portret A2 als A3 een grotere voorkeur genoot. Dit wordt ook bevestigd door de afkeuringen.
A2 behaalde een lichte voorkeur boven A3.

2. Welke vrouw geeft de voorkeur als presentatrice voor een informatief televisieprogramma?
Hierbij zag het antwoord patroon als volgt uit.
Portret A3 had bij deze vraag de meeste voorkeur.

Hoewel deze vraagstelling niet rechtstreeks naar de identificatie voorkeur voor informatief drukwerk vraagt kan hieruit toch de conclusie getrokken worden dat westers geklede vrouwen de voorkeur genieten en dat afhankelijk van het doel van het materiaal (ontspanning of serieuze informatie) er een verschil in voorkeur kan zijn tussen een jongere of en rijpere vrouw.

2. Een serie foto’s
Als tweede onderzoeksitem werden vijf vierkante foto’s in een willekeurige volgorde op een blauwe ondergrond gelegd.
Als eerste werd gevraagd of dit vijf losse foto’s waren of dat ze met zijn allen een serie vormde en dus bij elkaar hoorde.
Hierna moesten de vrouwen ze in volgorde leggen waarbij gelet werd op de leesrichting en op de juiste volgorde. Als laatste werden er enkele vragen gesteld om te controleren of het uitgebeelde verhaalde begrepen werd.

Hieruit bleek dat het grootste gedeelte van de vrouwen die de serie in de foutieve volgorde had neergelegd zowel ouder als 40 jaar, als analfabeet was.

De volgende cijfers geven de aantallen vrouwen aan die de foto’s in de Arabische leesrichting (dit is van links naar rechts) hebben neer gelegd. Dit waren ongeveer 40% van alle Marokkaanse vrouwen.
Maken we een uitsplitsing naar mate van gealfabetiseerd zijn, dan blijkt dat 50 % van de alle analfabete Marokkaanse vrouwen en 25% van de gealfabetiseerde Marokkaanse vrouwen de Arabische leesrichting hebben gehanteerd.
De 50% analfabete vrouwen correspondeert met het gegeven dat deze vrouwen nog helemaal geen training hebben gehad in lezen en dus nog geen voorkeur voor een leesrichting hebben ontwikkeld. Echter kan de 25% van de gealfabetiseerde vrouwen alleen verklaard worden door het feit dat deze vrouwen veelal ook onderricht hebben gehad in de Franse taal en dus naast een training in de Arabische leesrichting ook een training hebben gehad in de Europese leesrichting.

Door het stellen van vragen werd als laatste gecontroleerd in hoerverre de inhoud van de serie overgekomen was.
Hierbij trad een duidelijk verschil in score op tussen vrouwen die in Nederland taallessen volgen en vrouwen die geen taallessen volgen. (Onder deze groep viel het grootste deel van de analfabeten en de oudere vrouwen)
De vrouwen die taallessen volgenden hadden de serie veel beter begrepen dan de overige groep.
De zelfde serie werd ook voorgelegd aan 7 Nederlandse vrouwen die onderwijs voor volwassen volgen en het is opmerkelijk dat zij even veel begrepen van de serie als de buitenlandse vrouwen die taallessen volgen.

3. Weergavetechniek
Bij deze opdracht werden 14 afbeeldingen op tafel gelegd.
Zeven afbeeldingen laten een vrouw in de keuken zien, uitgevoerd in verschillende weergavenstijlen, de andere zeven hebben een winkelende vrouw in supermarkt tot onderwerp.
Bij deze opdracht handelde het om het herkennen van details en om de vraag welke weergavetechniek het duidelijkst is en welke weergavetechniek de meeste voorkeur geniet bij buitenlandse vrouwen.

Als eerste moesten de vrouwen deze veertien afbeeldingen verdelen in twee groepen. Deze opdracht werd met groot gemak uitvoert. (dia)
Met het herkennen van de twee verschillende situaties waren nauwelijks problemen.
Slechts een afbeelding werd door 19 vrouwen niet goed ingedeeld.

Vervolgens werd gevraagd in zowel de keukenserie als de supermarkt serie de verschillende elementen op te sommen en aan te geven welke van de zeven foto’s of tekeningen men het duidelijkst vond. (dia)
Ook hierbij was de score erg hoog. Zelfs de kleinste details werden door meer dan 75% van de vrouwen genoemd.
Van de keukenserie vond men de twee gekleurde afbeeldingen het duidelijkst maar van de supermarkt werd de gekleurde foto en de lijntekening met veel detail het duidelijkst gevonden.
Dit alles duidt er op dat in tegenstelling tot wat de literatuur ons wil doen laten geloven, buitenlandse vrouwen geen al te groot probleem hebben met het herkennen van afbeeldingen.

Als laatste werd gevraagd van zowel de keukenserie als de supermarktserie een eerste, tweede en derde keus te bepalen met de volgende beperking: er mocht slechts één enkele kleuren afbeeldingen gekozen worden. De uitslag was overduidelijk:
Op de eerste plaats komt de kleurenfoto, dan volgt de zwart/wit foto. Op een gedeelde derde plaats belandden de kleuren tekeningen en de zwart/wit fotomontages.
De vierde plaats ging naar de zwart/wit tekeningen en als laatste eindigden de vrijstaande foto.

4. Diepte
Ook ik kan het niet nalaten testpaatjes te ontwerpen om het zien van diepte in een platte afbeelding te onderzoeken.
Dit onderzoeksthema bestaat uit drie onderdelen.
Het eerste deel bestaat uit twee afbeeldingen met het zelfde onderwerp, maar de één is getekend en de ander is een fotomontage.
Het plaatje van de jager met olifant en antiloop is hierin te herkennen.
Eerst werd de tekening getoond en gevraagd naar wie de moeder haar handen uitstrekte en vervolgens werd de fotomontage op tafel gelegd en de vraag nogmaals herhaald.
De helft van de vrouwen gaven op beide vragen het goede antwoord. 24% gaf eerst het foute antwoord maar bij het zien van de foto bedachten zij zich en gaven als nog het goede antwoord en
31% bleef er bij dat de moeder het meisje wilde oppakken.

In het tweede onderdeel werden weer twee afbeeldingen gebruikt. Nu was de opdracht om het aantal kinderen te tellen. Ook hier trad het zelfde patroon op:
De helft van de vrouwen gaven het goede antwoord op zowel de tekening als de foto.
27% gaf eerst een fout antwoord en bij het zien van de foto werd alsnog het goede antwoord gegeven en 20% van de vrouwen geven tweemaal een fout antwoord.

Als laatste onderdeel van deze test werden weer twee afbeeldingen getoond van twee even grote auto’s maar met een zeer sterke perspectivische werking weergeven. De vraag hierbij luidde om aan te geven welke auto het grootst was. Hierbij trad een heel ander antwoordenpatroon op.
Hierbij waren er zelfs meer vrouwen die de tot tweemaal toe beweerden dat de witte auto groter was dan de zwarte.
De zelfde test werd ook afgenomen bij 10 studentes aan de Rietveld Academie en 7 vrouwen die Onderwijs voor Volwassenen volgden. Op de eerste twee onderdelen scoorden deze Nederlandse vrouwen veel beter dan de buitenlandse vrouwen, maar ook zij hadden problemen met de laatste opgave, hoewel zij wel een hoger percentage goede antwoorden behaalden dan de buitenlandse vrouwen. De meeste vrouwen die op de afbeeldingen van de auto’s het goede antwoord gaven herkende het merk en het type auto en concludeerde daaruit dat de beide auto’s in werkelijkheid even groot moesten zijn. Dit betekent dat de laatste afbeeldingen een te sterke perspectivische vertekening vertoond om hieruit de afmetingen correct te kunnen aflezen. Uit deze Dieptetest blijkt dat buitenlandse vrouwen inderdaad meer problemen hebben met het interpreteren van ruimte in een platte afbeelding dan Nederlandse vrouwen.
Maar door te kijken naar hoe de vrouwen over de drie verschillende onderdelen van deze test geantwoord hebben bleek ook dat het niet mogelijk is om te spreken over een groep vrouwen die geen diepte ziet en een groep vrouwen die wel diepte ziet. Het geven van foute antwoorden was regelmatig over alle vrouwen verdeeld. Er was slechts 10% die op alle drie de onderdelen consequent fout geantwoord heeft.

5. Klokken
Het onderzoeksitem over klokken bestond uit twee delen. Als eerste werd gecontroleerd in hoeverre buitenlandse vrouwen een klok herkennen en er mee overweg kunnen en welke type klok het makkelijkst afleesbaar is.
90% herkende in deze afbelding het begrip “klok”. De klok met cijfers bleek het beste afleesbaar te zijn, dan de ronde klok met wijzers maar zonder cijfers en de digitale klok bleek de meeste moeilijkheden op te leveren. Bij dit onderdeel werd ook nog een verschil geconstateerd tussen vrouwen die taallessen volgden en vrouwen die dit niet doen. Deze laatste groep konden minder makkelijk klokken aflezen dan de eerste groep.

Verder werden er drie verschillende manieren aangeboden om een tijdsinterval af te beelden. Deze opdracht bleek voor alle vrouwen moeilijk te zijn. Geen van de drie aangeboden methoden leverde beter resultaten op dan de andere.

6. Kalender
Ook werd er een kalender aangeboden om na te gaan in hoeverre buitenlandse vrouwen met deze vorm van tijdsaanduiding overweg kunnen en in hoeverre en kalender te gebruiken is om in voorlichting- en lesmateriaal dagen en maanden mee aan te geven.
Slechts een kwart tot een derde van de ondervraagde vrouwen kan met een kalender overweg.
Er is een significant verschil: ongeveer 80% van de vrouwen die taallessen volgen kunnen met een kalender overweg.
Hiertegenover staat dat ongeveer 20% van de vrouwen die geen taallessen volgen een kalender kunnen hanteren.
Dit betekent dat een kalender in lesmateriaal goed te gebruiken is, maar dat het gebruik van een kalender in voorlichtingsmateriaal voor vrouwen die geen taallessen volgen ten sterkst moet worden ontraden.

7. Lettertypen
Als één-na-laatste onderdeel van het onderzoek waren twee leesteksten opgenomen. Om te onderzoeken welke lettergrootte en welke lettertype het meest geschikt zijn voor buitenlandse vrouwen die net beginnen met lezen. Van de 111 vrouwen waren er 38 die konden lezen en de vragen over de leesteksten hebben beantwoord.
In de eerste leestekst waren de lettergrootten gevarieerd afwisselend in normaal op in een vette uitvoering. Hierbij bleek dat 30% van de lesgeefsters de voorkeur gaf aan een 14 punts normaal terwijl 34% van de buitenlandse vrouwen de voorkeur gaf aan de 16 punts vet. De overige antwoorden waren vrij regelmatig verdeeld over de overige letters.

Bij de tweede leestekst, uitgevoerd in één corpsgrootte maar wel in verschillende lettertypes, handelde het om de leesbaarheid van de verschillende lettersoorten. Slechts een type werd 7 maal aangeduid als zijnde moeilijk leesbaar. De overige lettertypen genoten evenveel voorkeur en gaven weinig leesproblemen.

8. Kleuren
Het laatste onderdeel handelde over kleuren en de koppeling van symbolische waarden aan kleuren.

Als eerste werd gevraagd aan de hand van deze afbeelding de kleur van de knoppen te benoemen en te vertellen welke betekenis deze kleur heeft. Hierop gaf 95% van de buitenlandse vrouwen een goed antwoord.

Als tweede werd er een kleurenkaart voorgelegd.
Hierop mochten de vrouwen aan geven welke kleuren zij mooi of lelijk vonden. Het zelfde werd ook aan 7 Nederlandse vrouwen gevraagd. Indien men de resultaten naast elkaar ziet dan blijkt dat er een bepaalde overeenkomst is tussen beide groepen. Slechts in de hogere regionen is een drastisch verschil te zien. De zeven Nederlandse vrouwen vonden de gelige groep n.l. geel en romig het mooist en de buitenlandse vrouwen konden meer waarding opbrengen voor de blauwige groep; n.l. turkoois en blauw en daarnaast nog wit en roze.

Als laatste onderdeel van dit onderzoek werd onderzocht of er bij buitenlandse vrouwen sprake is van een koppeling tussen kleur en een begrip, of anders gezegd of kleuren een symbolische waarde hebben voor buitenlandse vrouwen.
Er werden begrippen genoemd, zoals koud, warm, jongen meisje, gevaar veilig, dood en leven.
Aan de vrouw werd gevraag in dien zij hier toe instaat was een passende kleur bij het begrip op de kleurenkaart aan te wijzen.
Uit dit onderdeel kon de conclusie getrokken worden dat bij buitenlandse vrouwen de symbolische waarden bij kleuren minder sterk speelt dan bij Nederlandse vrouwen. In ieder geval geldt dit voor de begrippen warm, koud, gevaar en veilig. Nederlandse vrouwen wezen hierbij zonder problemen respectievelijk de kleuren rood, blauw, rood en groen aan.
Slecht 50% van de buitenlandse vrouwen hier en tegen wezen twee maal de kleur rood aan, maar de kleur blauw en groen werd slechts door 20% genoemd. Dit is des te vreemder om dat zijn even daar voor de vraag over de waterkraan perfect hadden beantwoord.
Het verschil tussen de twee vragen is het abstractieniveau. De waterkraan is een concrete vraag, aan de hand van een concreet onderwerp terwijl het noemen van een begrip sec een vorm van abstractie inhoudt.