– 2. het communicatieproces

Een sterk vereenvoudigd model van het communicatieproces is het volgende:

De zender heeft een mededeling voor de ontvanger. Hij codeert deze en selecteert het kanaal of medium dat hij wil gaan gebruiken om de ontvanger te bereiken.
Bij de ontvanger komt de boodschap aan. De ontvanger selecteert o.a. of hij de boodschap wel wil ontvangen en zo ja dan vindt er een decodeerproces plaatst. Er vindt dus aan beide zijden codeer- en selectieprocessen plaatst.
We spreken van en geslaagde communicatie wanneer de codeer- en de decodeerprocessen omgekeerd aan elkaar gelijk zijn. We spreken dan van codesymmetrie

We herhalen de uitspraak die aan het begin viel en die aanleiding heeft gegeven tot dit project:
“Buitenlanders en met namen analfabete buitenlandse vrouwen begrijpen de boodschap die in visueel materiaal vervat is niet.” (dia rode streep)
Deze uitsprak impliceert dat er aan de kant van de ontvanger ( in ons geval bij de buitenlandse vrouw) een kink in de kabel van de communicatie zit.
Maar de communicatie kent vele fasen en in elke fase zijn er mogelijkheden op storingen, die de kans op het niet juist ontvangen in de hand kunnen werken. Het is de taak van de zender om de verpakking van de boodschap zo goed mogelijk aan te passen aan de ontvangstmogelijkheden van de ontvanger
Hiervoor is het nodig om een uitgebreider model van het communicatieproces te bekijken:

Het eerst dat op valt is het repertorium. Dit is de achtergrond kennis van zowel de zender als de ontvanger. Slechts door gebruikt te maken van het deel dat beide gemeenschappelijk hebben is er symmetrie in coderen en decoderen mogelijk. Dit gemeenschappelijke deel is juist in de communicatie tussen Nederlanders en buitenlanders erg klein vanwege de taalbarrière en het verschil in culturele achtergrond.
Verder vinden bij de zender diverse codeerprocessen plaats. Een abstract idee ontstaat in eerste instantie in het brein en wordt vertaald in een minder abstract concept. Hierbij valt te denken aan een beschrijving van een globaal plan op enkele A4-tjes. Dit concept wordt via verschillende ontwikkelfasen uiteindelijk omgezet in de definitieve vorm. Alleen al op dit traject kan er veel mis gaan.
Deze definitieve vorm kan een televisie- of radio-uitzending zijn, het kan in de vorm van drukwerk gegoten worden of de informatie kan worden overgebracht in een gesprek van persoon tot persoon of in een groepsgesprek.
In ons geval is het dus drukwerk en met name drukwerk waarin het beeldmateriaal de belangrijkste plaats in neemt.

Hierbij moet wel een kanttekening gemaakt worden. In onze maatschappij is drukwerk het eerste medium waaraan men denkt indien men informatie wil overdragen. Maar drukwerk kan naar buitenlanders toe nooit als zelfstandige drager van informatie dienst doen. Uit onderzoeken is bekend dat buitenlanders niet geneigd zijn folders of posters uit zich zelf te bestuderen en dit geldt zeker voor analfabeten. Zij zijn niet gewend om op deze onpersoonlijke manier geconformeerd te worden. Dit betekent dat drukwerk altijd als hulpmiddel ingezet zal dienen te worden bij het persoonlijke gesprek of bij het groepsgesprek. Maar men mag er daarom niet vanuit gaan dat de onduidelijkheden in het drukwerk opgevangen kunnen worden door de gespreksleider.

Is de boodschap ondanks alle hindernissen bij de ontvanger aangekomen dan vindt er eerst een selectieproces plaats. De ontvanger beslist of hij de informatie wil ontvangen. B.V. de radio wordt op het juiste tijdstip ingeschakeld.

Vervolgens vindt er een proces van decodering plaats. Of deze decodering symmetrisch is aan het codeerproces is afhankelijk van de juiste inschatting van de zender. Zijn opzet moet in elk geval gericht zijn op codesymmetrie.

Hierna wordt hopelijk de informatie opgeslagen in het geheugen. Dit is afhankelijk van het verwachtingspatroon bij de ontvanger. Indien de informatie buiten bepaalde grenzen van het verwachtingspatroon valt b.v. als het indruist tegen bepaalde normen en waarden dan zal de ontvanger zich niet positief opstellen en niet ontvankelijk zijn voor de informatie en zal deze ten slotte verwerpen.

De conclusie uit deze analyse is dan ook: (dia)
1. Vooral de communicatie met buitenlanders is zeer kritiek vanwege het zeer kleine gemeenschappelijke repertorium. Aan de kundigheid van de zender worden daarom extra zware eisen gesteld.
2. Er zijn onnoemlijke veel zwakke punten in het communicatie proces aan te wijzen. Door foute beslissingen op deze punten is er een grote kans dat de boodschap niet op dezelfde manier overkomt bij de ontvanger als door de zender bedoeld is. Vooral de zender speelt hierin een actieve rol.
3. Drukwerk kan niet als een zelfstandige informatiedrager voor buitenlanders dienst doen. Het moet beschouwd worden als een hulpmiddel in les- of voorlichtingssituaties.

Zoals gezegd werd vinden er bij de ontvanger selectieprocessen plaats. Hierop kan door de zender worden ingespeeld. De selectie, het wel of niet doorgaan met het lezen, het wel of niet doorgaan met het tot zich nemen van de inhoud van het drukwerk, wordt in hoge mate bepaald door de volgende die motiverende factoren: (dia)
– allereerst moet de aandacht getrokken worden, de interesse opgewekt worden om zich open te stellen voor de informatie.
– vervolgens moet tijdens het proces de aandacht geboeid blijven;
– uiteindelijk moet er een stimulerende kracht zijn om de nieuw verworven kennis toe te passen en te gebruiken.
Deze drie motiverende factoren zijn concreter te vertalen in inhoudelijke eisen met betrekking tot visueel beeldmateriaal voor nagenoeg analfabete buitenlandse vrouwen:

1. De informatie moet door middel van een concreet voorbeeld in een verhalende vorm gegoten worden, niet in een abstracte uiteenzetting. In het algemeen spreekt een persoonlijke benadering meer aan dan een onpersoonlijke. Een verhaal leest makkelijker, wekt eerder interesse op en blijft boeien. Er moeten wel sfeertekeningen, emoties en spanningen in voorkomen.

2. Er is een sterke behoefde aan identificatie. Er moeten buitenlandse vrouwen in het verhaal voorkomen. Is een buitenlandse vrouw de hoofdpersoon, dan is de mogelijkheid tot identificatie het grootst. Uit vele onderzoeken blijkt dat door de mogelijkheid van herkenning door de gebruiker de aantrekkelijkheid van het materiaal vergroot wordt.

3.  Niet alleen met de persoon maar met het hele verhaal moet ingespeeld worden op de ervaringswereld van de buitenlandse vrouw. De Turkse of Marokkaanse vrouw moet het verhaal kunnen plaatsten in haar eigen leven.
De problemen moeten haar bekend voorkomen, de oplossingen die gegeven worden moeten binnen haar mogelijkheden liggen. De inhoud moet vertrouwen scheppen, de lezeres moet het verhaal als mogelijke werkelijkheid, als “echt” en “waar” ervaren.

4. Deze drie eisen houden een bepaalde vorm van realisme in, maar hierbij moet men wel rekening houden met het feit, dat niemand zich graag wil identificeren met een persoon in slechte omstandigheden. Een rommelig en armoedig interieur of een ziek kind kan aversie oproepen. Men identificeert zich graag met een persoon, die beantwoord aan zijn/haar ideaalbeeld en leest graag een verhaal over een situatie, die hij/zij hoopt te bereiken of begerenswaardig vindt. Het verhaal moet dus een positieve indruk bij de lezers achter laten.

5. Het verhaal met de informatie moet gedoseerd worden in stapjes. De grootte van deze stapjes moet aangepast zijn aan het leertempo van de buitenlandse vrouw. Er moet rekening gehouden worden, dat dit leertempo lag kan liggen, zodat men gebruik moet maken van veel kleine stapjes. Aangeraden wordt om slechts Één handeling per stapje uit te beelden en te beschrijven. Deze stapjes moeten zeer duidelijk van elkaar gescheiden zijn, zodat het stapje ervoor of erna geen storende invloed kan hebben op de lezer. Anderzijds moeten deze stapjes wel duidelijk met elkaar in verband staan, waardoor de relatie tussen de stapjes voor de gebruikers helder is.

6. Het verhaal moet een logische structuur hebben. Beginnen bij het begin en eindigen bij het eind. Van stijlvormen, zoals flashbacks, raamvertellingen, toekomstdromen etc. kan geen gebruik gemaakt worden. Dit maakt het verhaal onnodig complex. Ook zonder deze complicering kost het al veel moeite de lijn van een beeldverhaal te volgen.

7. Een kinderlijke of bevoogdende benadering van de lezer moet vermeden worden.

8. Ondanks alle hierboven genoemde regels zal toch ook een bepaalde afwisseling nodig zijn, opdat de spanning, “Hoe gaat het verder” zal blijven bestaan.